Verbannen – Wielrennen
Het zal ergens in het begin van de winter zijn geweest. Het was koud en vochtig, maar de regen bleef uit. Opnieuw een duurtraining met de groep leeftijdsgenoten van de wielrenvereniging. We reden door polders en over dijken, langs wegen die ik vaak voor het eerst zag. Minimaal drie uur. Als nieuw lid was dat behoorlijk wennen. Ik viel niet op binnen de groep, of het moesten mijn onwennige stuurkunsten zijn. Ik was stil en afwachtend. Klaar om te leren.
Het was zelf uitvinden en ondervinden. Begeleiding was er nauwelijks en daar vroeg ik ook niet om, als schuchtere, onzekere tiener. Soms reed er op zondag een oude bekende, een vriend of een andere trainer mee met ons. Eén keer was dat Gerrie Knetemann (‘je moet je ketting schoon houden’), een paar keer de iets te dikke zoon van de trainer en een keer Thomas Dekker. Nu veel bekender dan toen. Maar hij was de grote belofte van de vereniging. Alle aandacht ging naar hem. Hij was van ongeveer dezelfde leeftijd, maar al een echte wielrenner en duizendmaal beter. We keken tegen hem op. Hij reed grote wedstrijden. In het buitenland. En die koude zondag reed hij met ons mee.
Door mijn onervarenheid had ik die dag te weinig eten mee. Op de helft had ik mijn bolletjes en banaan al op. Na tweeënhalf uur ging het nog eigenlijk best goed. Tot het moment dat Thomas besloot dat het te langzaam ging. Hij opperde om in een molentje te rijden, als training. Niemand ging hier tegenin. Ik ook niet. Ik wist wat een molentje was, van tv. Ik wist hoe dat moest. Ik merkte na twee rondjes echter dat er iets mis was. Ik wilde kracht zetten op mijn pedalen, maar ik was ineens ‘leeg’. Mijn hoofd kon ik niet meer fatsoenlijk omhoog houden, ik kon alleen nog naar de grond kijken. Toen ik even omhoog keek zag ik de groep van mij weg rijden. Ik wilde schreeuwen: ‘stop!’ Er kwam alleen een zachte toon uit mijn mond. Gelukkig had de trainer mij gemist in het molentje en fietste hij terug. Hij zei me dat ik waarschijnlijk een hongerklop had.
We stonden op een kruising. De groep was rechtdoor gegaan. Linksaf lag een dorpje. De trainer wees naar het dorpje. ‘Volg die weg door het dorp, dan kom je thuis’. Als een falende leerling werd ik uit de klas gezet. Ik voelde me leeg en teleurgesteld. Tergend langzaam fietste ik door het dorp. Op kruisingen koos ik op basis van richtingsgevoel een weg. Op een gegeven moment herkende ik wegen en vond ik de weg naar huis. Ik gok dat ik er wel twee uur over gedaan had, maar helemaal zeker wist ik het niet.
Dat gebaar vergeet ik niet snel. De wijsvinger richting het dorp. Verbannen, als het ware. Later kon ik er met veel boosheid aan terugdenken. Wat als ik onderweg was aangereden? Wat als ik onderweg flauw viel? Wat als ik compleet verkeerd was gereden? De trainer koos voor de groep, of eigenlijk voor Thomas. Hij loste dit voorval niet gezamenlijk op. Hij had me ook een broodje kunnen geven en met z’n tweeën, of met de hele groep, naar huis kunnen rijden. Maar de veelbelovende wielrenner was belangrijker dan de beginnende, zoekende wielrenner.
Opvolgen – Voetbal
Zoals altijd wilde ik in de basis starten, hoe dan ook. Ik was ziek. Twee dagen geleden liep ik nog heen en weer; van bed naar wc naar douche. Die ochtend had ik last van diarree. Ik was niet helemaal lekker, maar een wedstrijd tegen een stadsgenoot laat ik niet zomaar schieten. Bovendien was het mooi weer, het was de laatste wedstrijd van het seizoen en we namen afscheid van drie ervaren voetballers.
Vlak voor de wedstrijd nam ik een diarree remmer. Ik kreeg te horen dat ik als rechtsback mocht beginnen. Een verrassing, want meestal stond ik in het centrum van de verdediging. Het maakte mij toch wat angstig. Met een snelle, slimme buitenspeler als tegenstander zou het een moeilijke middag kunnen worden. Als centrumverdediger sta je over het algemeen toch wat veiliger, met verdedigers en een keeper om je heen. Na het eerste fluitsignaal zwoegde ik mij door de eerste helft heen.
De tweede helft voelde ik mij al stukken beter. Ik liep niet meer achter de aanvaller aan, de aanvaller moest achter mij aan lopen. Onze aanvoerder, tevens één van de drie voetballers die afscheid zouden nemen van het eerste elftal, bekroonde een goede wedstrijd met een prachtige bal in het kruis van het doel. In mijn herinnering was de einduitslag 1-1 en leek iedereen daar vrede mee te hebben. Na afloop kregen de drie oudgedienden een shirt met op de achterkant het aantal gespeelde wedstrijden in het eerste elftal.
De reden dat deze wedstrijd mij is bijgebleven is niet vanwege de diarree, noch de hitte die van het stugge kunstgras kwam. Nee, na de wedstrijd had ik een onderonsje met de aanvoerder. Hij sprak mij toe als een soort kruising tussen een vader en een vriend. Terwijl hij sprak over mijn optreden, reikte hij zijn hand naar mij. Geen lege hand, maar een hand met zijn aanvoerdersband. Hij zei dat ik het had verdiend en hij mij deze band toevertrouwde. Meer woorden waren er niet nodig. Het gebaar was genoeg. En ik heb die band een aantal jaren met trots gedragen, alvorens ik de interesse en de motivatie in het voetbal verloor.
Aanmoedigen – Hardlopen
In 2015 besloot ik als naïeve, beginnende hardloper mee te doen aan de halve marathon van Haarlem. In het voorjaar had ik de halve marathon van Hoorn gelopen. Ondanks de pijn in mijn voeten, het te weinig drinken en eten en de slechte voorbereiding ging die loop voor mijn gevoel verrassend goed. Met nu goede hardloopschoenen in plaats van zaalvoetbalschoenen en wederom nauwelijks een voorbereiding was ik er van overtuigd dat het helemaal goed ging komen. Beetje rennen. Zo gebeurd!
De eerste kilometers gaat het goed. Haast lachend haal ik hardlopers in. Bij kilometer 8 lijk ik opeens wat moe. Even later de duinen in. Paar heuveltjes, dat kan ik hebben. Eenmaal over de eerste heuvels zit ik behoorlijk stuk. En de heuvels blijven maar komen. Waarom doe ik dit? Hardlopers die ik eerder had ingehaald, gaan mij nu lachend voorbij. Ik ben nog nooit zo blij geweest om een flat te zien. Want dat betekent de bewoonde wereld en gewoon weer door straten en over wegen hardlopen. Hoeveel kilometer nog? Genoeg.
Prachtige omgeving hier, maar ik ben meer geïnteresseerd in de borden met het aantal kilometers. Kilometer 17. Nog eventjes. Gewoon vlak. Oh, alleen nog een bruggetje. En nog één. En nog één! Dit kan niet waar zijn. Ik ga kapot door bruggetjes. Waarom zoveel bruggetjes? Wie heeft dit parcours verzonnen? Een bruggetjesfetisjist? Opeens kom ik tot de ontdekking dat ik loop. En niet ren. Ik had mijzelf nog zo voorgenomen om niet te lopen. Het is toch een hardloopwedstrijd? Ik weet ook niet hoe lang het nog is. Misschien nog 500 meter, misschien nog een paar kilometer. Ik kan niet zo helder meer denken. Dan rent er ineens een vrouw voorbij me. Ze kijkt achterom, klapt in haar handen en roept naar me: ‘Kom op, achter die bocht is de finish! Nog een klein stukje, je kan het!’ Ze rent verder en ik, tegelijk verbaasd en gesterkt door de aanmoediging, probeer weer te hardlopen. Wetende dat de finish dichtbij is, lukt het mij om de laatste meters te hardlopen.
Die volgende wedstrijden ging het gelukkig beter. Wanneer het dan even niet lekker gaat. Wanneer ik niet weet hoe ik het moet volhouden. Wanneer mijn lichaam wil dat ik stop. Wanneer ik denk dat het nog zo’n lang stuk is. Dan denk ik aan de aanmoediging van die vrouw. Nog een klein stukje. Je kan het.








Geef een reactie